Python

Python is een programmeertaal waarmee je tal van leuke programmaatjes kan maken en waarmee je de basisconcepten van programmeren onder de knie kan krijgen.


Onderaan kan je tal van oefeningen terugvinden.
Eerst dien je Python te installeren en de basisconcepten onder de knie te krijgen.
Hiervoor kan je onderstaande samenvatting doornemen.


Python installeren

Je kan python installeren door te surfen naar de officiële website van Python en daar het pakket te kiezen dat geschikt is voor jouw besturingssysteem.

https://www.python.org/downloads/

Download het bestand en volg de installatiestappen.

Om je installatie te testen open je een opdrachtvenster.

In Windows doe je dat bijvoorbeeld door de Windows-toets in te drukken en “Opdrachtprompt” in te typen, gevolgd door enter.

Daarna geef je “python” in.

Als Python correct is geïnstalleerd zal er allerlei informatie verschijnen.

Idem voor Mac OS en Linux.

Eerste stappen

In deze cursus werken we met Python 3.

Programmeertalen hanteren zeer vaak Engelse termen dus die ga je zeker nog tegenkomen.

Per onderwerp zal ik dan ook de Engelse term vermelden aangezien je die wel veel gaat tegenkomen.

We beginnen met een simpel programma om iets op het scherm af te drukken.

Open een texteditor zoals notepad of een programmeeromgeving zoals Visual Studio Code om je programma te maken.

Een eerste programma: iets afdrukken op het scherm.

Geef het volgende in:

Print(“hallo allemaal”)

Sla het op als hallo.py

Voer het programma uit door via je console naar de map van het programma te gaan en daarna python hallo.py in te typen.

Het programma wordt daarna uitgevoerd en toont “hallo allemaal” op het scherm.

Wat we hier afgedrukt hebben is tekst van het type “string”.

Je kan uiteraard ook een getal afdrukken.

Bijvoorbeeld Print(3)


Variabelen (variables)

We kunnen bovenstaande tekst ook in een variabele plaatsen.

Dat doen we als volgt:

tekst = “hallo allemaal”

print(tekst)

Op het scherm zal nu onze tekst “hallo allemaal” verschijnen.

In het volgende programma gaan we werken met 2 variabelen.

Hieraan kunnen we een waarde toekennen waar we dan bijvoorbeeld een berekening mee kunnen doen.

a = 1

b = 2

print(a + b)

Sla het programma op als “optellen.py” en voer het uit via “python optellen.py”.

Op het scherm zie je “3” verschijnen.

Condities (conditions)

Via condities kunnen we dingen gaan controleren.

We breiden ons vorig programma uit om te kijken welke van de twee variabelen het grootste is.

a = 1

b = 2

if(a > b)

print(“a is groter dan b”)

else

print(“b is groter dan a”)


Sla het programma op als “controle.py” en voer het uit via “python controle.py”.

Het resultaat is “b is groter dan a”.

Je ziet hier dat er ruimte is gelaten voor de “print”.

Lussen (loops)

for x in range(5):

print(x)

Bij een lus ga je meerder keren iets uitvoeren of overlopen.

In bovenstaand programma zeggen we bijvoorbeeld dat x een bereik van 5 heeft en we x telkens willen uitprinten (vandaar de for).

Let op, bij programmeren begin je altijd bij 0 dus printen we hier 0 1 2 3 4 5 af.

Tekstbewerkingen

We kunnen allerlei bewerkingen op een tekst uitvoeren.

We plaatsen bijvoorbeeld de waarde “dit is tekst” in de variabele “tekst” en voeren er enkele bewerkingen op uit.

tekst = “dit is tekst”

print(len(tekst))

print(tekst.count(“t”))

print(tekst[2:4])

Hier gebeurt hetvolgende: We printen de lengte van de tekst, hoeveel keer “t” voorkomt in de tekst en tekens 2 tot en met 4. Let op! We tellen dus altijd vanaf positie 0. Het resultaat is dus “t i”.

Lijsten

afewwords = astring.split(" ")